Waarom burgerschapsonderwijs geen projectweek is (en wat wél werkt) De Week van Burgerschap is voorbij. De posters zijn opgeruimd. Het debat is afgerond. De gastspreker is weer vertrokken. En vervolgens gaat de school weer over tot de orde van de dag. Veel scholen zullen dit herkennen. Er wordt met enthousiasme gewerkt aan burgerschap, maar vaak […]
Waarom burgerschapsonderwijs geen projectweek is (en wat wél werkt)
De Week van Burgerschap is voorbij.
De posters zijn opgeruimd. Het debat is afgerond. De gastspreker is weer vertrokken. En vervolgens gaat de school weer over tot de orde van de dag.
Veel scholen zullen dit herkennen. Er wordt met enthousiasme gewerkt aan burgerschap, maar vaak in losse activiteiten of projecten. Waardevolle initiatieven, zonder twijfel. Toch blijft daarna regelmatig de vraag hangen: hebben we nu daadwerkelijk gewerkt aan burgerschapsvorming?
Steeds meer scholen ontdekken dat goed burgerschapsonderwijs niet draait om een projectweek, een lesmethode of een jaarlijkse activiteit. Het vraagt om iets fundamenteel anders. Het vraagt om een schoolcultuur waarin burgerschap zichtbaar is in het dagelijks handelen van leerlingen én medewerkers. Dat is ook een belangrijke boodschap vanuit het Masterplan Basisvaardigheden, waarin scholen worden ondersteund bij het versterken van burgerschap als basisvaardigheid.

Masterplan Basisvaardigheden
Binnen het Masterplan Basisvaardigheden spelen onderwijscoördinatoren een belangrijke rol. Zij begeleiden scholen bij het versterken van basisvaardigheden zoals taal, rekenen, digitale geletterdheid en burgerschap. Marije den Dulk werkt vooral met scholen in het primair en (voortgezet) speciaal onderwijs, terwijl Angelica Pardoen scholen in het voortgezet (speciaal) onderwijs ondersteunt.
Vanuit die praktijk zien zij dagelijks waar scholen tegenaan lopen én wat ervoor zorgt dat burgerschap duurzaam onderdeel wordt van het onderwijs. Zij werden geïnterviewd door het blad van het Expertisepunt Burgerschap.
De verkeerde vraag
Wanneer scholen aan de slag gaan met burgerschap, begint het gesprek vaak bij praktische zaken.
- Welke methode kiezen we?
- Welke activiteiten organiseren we?
- Hoe voldoen we aan de inspectie-eisen?
Begrijpelijke vragen. Maar volgens onderwijscoördinator Marije den Dulk ontstaat er vaak iets bijzonders wanneer scholen eerst een andere vraag stellen:
Wat willen we onze leerlingen eigenlijk meegeven?
Opeens gaat het niet meer over verplichtingen of administratie. Dan gaat het over de essentie van onderwijs.
- Willen we leerlingen die verantwoordelijkheid nemen?
- Willen we dat ze respectvol omgaan met verschillen?
- Willen we dat ze kritisch leren denken?
- Willen we dat ze bijdragen aan hun omgeving?
Dat gesprek levert vaak meer energie op dan een discussie over beleidsdocumenten. Omdat het direct raakt aan waarom mensen ooit voor het onderwijs hebben gekozen.
Veel scholen doen al meer dan ze denken
Het interessante is dat veel scholen al volop bezig zijn met burgerschap zonder dat altijd zo te benoemen.
- Leerlingen werken samen aan een duurzaamheidsproject.
- Een docent bespreekt een nieuwsitem in de klas.
- Er wordt aandacht besteed aan online gedrag.
- Een klas onderzoekt hoe de school groener kan worden.
- Leerlingen organiseren een actie voor een lokaal initiatief.
Allemaal momenten waarin jongeren oefenen met samenwerken, verantwoordelijkheid nemen, luisteren en keuzes maken. Toch ontbreekt er soms samenhang.
Marije den Dulk merkt op dat veel scholen al veel doen aan burgerschap, maar vaak op een ad-hocmanier. De uitdaging is om activiteiten te verbinden aan een gezamenlijke visie. En juist daar ontstaat het verschil tussen een losse activiteit en duurzaam burgerschapsonderwijs.
Burgerschap hoort niet thuis bij één docent
Een tweede uitdaging zien veel scholen terug in de praktijk. Burgerschap belandt vaak bij een kleine groep enthousiaste collega’s. De docent maatschappijleer. Een mentor. Een kartrekker uit een werkgroep.
Zolang die mensen er zijn, gebeurt er veel. Maar wat gebeurt er wanneer zij vertrekken?
Volgens onderwijscoördinator Angelica Pardoen ontstaat echte verandering pas wanneer burgerschap iets wordt van het hele team. Zij benadrukt dat burgerschap niet iets is dat erbij komt, maar iets dat het onderwijs als geheel doordringt.
Dat betekent dat burgerschap niet vastzit aan één vak. Het leeft tijdens geschiedenis. Tijdens techniek. Tijdens kunst. Tijdens Nederlands. Tijdens een project over duurzaamheid. En misschien nog wel het meest in de manier waarop mensen dagelijks met elkaar omgaan.
De sterkste burgerschapslessen staan vaak niet in het lesboek

Stel je voor: Een groep leerlingen werkt aan een plan om voedselverspilling in de kantine tegen te gaan. Ze onderzoeken het probleem. Ze verzamelen gegevens. Ze praten met medewerkers. Ze bedenken oplossingen. Ze presenteren hun idee.
Wat leren ze?
Misschien denk je direct aan duurzaamheid. Maar ondertussen gebeurt er veel meer. Ze leren samenwerken. Ze leren rekening houden met verschillende belangen. Ze oefenen met communicatie. Ze ervaren dat hun ideeën invloed kunnen hebben op hun omgeving.
Dat is burgerschap.
En precies daarom zit goed burgerschapsonderwijs vaak niet in een methode, maar in betekenisvolle ervaringen.
Lastige gesprekken horen erbij
Natuurlijk is burgerschap niet altijd eenvoudig. Sommige onderwerpen kunnen spanning oproepen.
- Polarisatie.
- Klimaatverandering.
- Sociale ongelijkheid.
- Online desinformatie.
- Identiteit.
Volgens Angelica Pardoen vinden niet alle leraren het vanzelfsprekend om zulke gesprekken te voeren. Toch zijn juist deze gesprekken belangrijk binnen goed burgerschapsonderwijs. Het gaat daarbij niet alleen om meningen, maar ook om leren luisteren, denken en vragen stellen.
Dat vraagt geen docent die alle antwoorden heeft. Het vraagt een docent die ruimte durft te maken voor dialoog. Die nieuwsgierigheid stimuleert. Die laat zien dat verschillen mogen bestaan. En die leerlingen helpt om respectvol met die verschillen om te gaan.
Begin bij je eigen school
Een belangrijke les uit het Masterplan Basisvaardigheden is dat geen enkele school hetzelfde is. Een school met veel nieuwkomers kent andere uitdagingen dan een kleine dorpsschool. Een vmbo-school werkt vanuit andere ervaringen dan een gymnasium.
Daarom bestaat er ook geen kant-en-klare aanpak die overal werkt.
Goed burgerschapsonderwijs begint bij de leerlingen die je voor je hebt. Volgens Den Dulk vraagt dat om een inhoudelijk gesprek binnen het team over de schoolpopulatie en wat leerlingen nodig hebben.
Pas dan wordt duidelijk welke thema’s relevant zijn en hoe burgerschap een betekenisvolle plek kan krijgen binnen het onderwijs.
De echte vraag is niet óf je aan burgerschap doet
Het goede nieuws? De meeste scholen hoeven niet opnieuw te beginnen. Waarschijnlijk gebeurt er al veel. De echte vraag is niet óf je aan burgerschap doet. De echte vraag is of alle losse initiatieven samen een duidelijk verhaal vertellen.
- Of leerlingen iedere dag ervaren wat samenwerking betekent.
- Of zij leren omgaan met verschillen.
- Of zij verantwoordelijkheid krijgen.
- Of zij merken dat hun stem ertoe doet.
Want op het moment dat burgerschap niet langer voelt als een project, maar onderdeel wordt van de schoolcultuur, gebeurt er iets bijzonders. Dan wordt het niet meer iets dat je organiseert. Dan wordt het iets dat je dagelijks leeft. En juist daar ligt de kracht van goed burgerschapsonderwijs.
Bron: Interview met Marije den Dulk en Angelica Pardoen over het Masterplan Basisvaardigheden in Burgerschap op School 2026.